De deur gaat open en je komt in een rokerig kamertje waarin om een houten tafel vier tanige mannetjes zitten. Ze zijn geen van vieren groter dan een meter, maar kennelijk zijn het geen kinderen, want ze hebben verweerde gezichten en lange wilde baarden. Ze lachen, vloeken en drinken onder het kaartspel waarmee ze zich onledig houden. Elk lid van het gezelschap leunt met zijn rug tegen de stoelleuning en rookt onderwijl een lange stenen pijp. Op de tafel ligt allerlei kleingeld en er staan vier kroezen met bier. Als je binnenkomt, wordt het stil. Ze zijn op hun hoede maar ze schijnen ongevaarlijk te zijn. Eén staat er op en merkt op dat je slechtgemanierd bent: je kwam binnen zonder kloppen. De anderen klinken instemmend.

Wat doe je?

Je maakt een praatje met ze om hun vertrouwen te winnen.

Je je biedt je excuses aan en verlaat na een korte buiging het vertrek.

Je vraagt of je mee mag kaarten.

Je trekt je zwaard en valt hun leider aan.





<uitleg> | <gevechten> | <colofon>