Terug


Deel 2

Deel 3

 

Door de poort van de tijd

Indrukken en ontmoetingen tijdens een
drieweeks bezoek aan de Volksrepubliek China

Deel 1

5 januari

Haast je langzaam is van origine vast een Chinese uitdrukking. Bij allerlei gelegenheden wenst men je kalmte toe: eet maar langzaam, loop maar langzaam, doe maar langzaam. De geboekte vlucht die mij op 7 januari van Hong Kong naar Nanjing zou brengen, bleek niet te bestaan. Ik was blij, dat ik daar in Nederland al van op de hoogte werd gebracht. Een andere vlucht diezelfde dag zou om half twaalf vertrekken, maar volgens schema zou ik pas om kwart voor twaalf in Hong Kong aankomen. Aangezien ik rennen voor een vliegtuig een beetje absurd vind, en bovendien de stelregel gold: "toestel weg? centen pleite!", werd mijn vertrek twee dagen uitgesteld. Vertrek maar langzaam.
Nanjing, plaats van bestemming, twaalfhonderd kilometer ten zuiden van Beijing, driehonderd kilometer ten westen van Shanghai en tijdens de Ming-dynastie hoofdstad van het Rijk van het Midden, was de woonplaats van twee Chinezen met wie ik in Amsterdam kennis had gemaakt: het echtpaar Tang Wei en Wang Yan. Bij een bezoek aan hen werd ik overstelpt met tips en mij onbekende medicamenten, zoals Liu Shen Wan. "Waar is dat dan goed voor?" vroeg ik. Beiden begonnen druk te gebaren en te praten: "Allerlei kwalen. Overal goed voor."
Behalve door mijn vriend Adam zal ik in Nanjing door hun - volgens Wang Yan zeer capabele - zoon Tang Xu worden geholpen bij alle voorkomende problemen. Wang Yan zei: "Tang Xu heeft veel vrienden. Hij houdt van lachen. In China maken wij vrienden door ze kadootjes te geven. Het is jammer dat Nederlanders daar niet gevoelig voor zijn. Politie wil geen kadootjes." Ik vond haar te aardig om te zeggen dat dat bij ons corruptie heet.

8 januari

Vliegen had ik nog nooit gedaan. Omdat ik dat aan de vriendelijke mevrouw van British Arwais had verteld bij het inchecken, had ze me een stoel gegeven aan het raam, vlak voor de vleugel. Gedurende de "hop" die we maakten van Amsterdam naar Londen was het onbewolkt. Een stewardess gaf instructies: wat te doen bij voorkomende calamiteiten. Ik zat met mijn gezicht tegen het ruitje geplakt en had wel vertrouwen in een behouden aankomst op vliegveld Gatwick. Vliegen is prachtig. Altijd mooi weer op 10 kilometer hoogte. Mijn luchtdoop bracht me uiteindelijk in Hong Kong.
Ondanks de gigantische breedte van het land, is het in heel China even laat: de tijd in Beijing, zetel van de regering. De zeven uur tijdverschil die ik per vliegtuig moet overbruggen, wordt leuk opgevangen. Nadat ik om een uur of vier flink gegeten hebt, begint de film vroeg, rond zes uur 's avonds, en dan moet ik van de stewardess braaf mijn raampje blinderen. Jammer, want het was nog licht. Als die film is afgelopen, heb ik het gevoel dat het heel laat is, want dat is het altijd na een film. Bovendien is het vliegtuig verduisterd. Slapen lukt me niet. Ten eerste omdat mijn bio-klok op acht uur staat maar mijn psyche op elf, ten tweede omdat de tweede film meteen volgt. Dan maar wat lezen. Vanwege de incheckschat in Londen beschik ik over stoel 47 A, B en C. Echt languit kan ik niet liggen op drie stoelen, maar toch. Concentratiestoornis door gebrek aan nachtrust in de voorgaande nacht wegens opwinding doen mij besluiten het boek terzijde te leggen om de walkman een bandje te laten knallen. Daarna ben ik geruime tijd klaarwakker, maar uiteindelijk wordt ik toch wat soezig boven Pakistan. Uurtje pitten volgens bio van elf tot twaalf. Dan: LICHT! Plaatselijke tijd Birma: zeven uur. Dat betekent opstaan. Een stiekeme blik door het even niet geblindeerde venster levert duisternis op. Ik besluit het luikje open te laten om op de zonsopgang te wachten. Als dat na lange tijd wordt beloond, vertoont de hemel veel kleuren blauw en op het moment dat de rode kleuren moeten gaan mengen maakt het toestel een scherpe bocht naar rechts. Aldus beneemt de vleugel mij het uitzicht. Bij terugkeer in horizontale positie is de horizon getooid in alle mogelijke kleuren. Graag had ik de overgang meegemaakt.
Het eerste wat ik van China zag, was de omgeving van Kunming. Rivieren als zwarte aders hadden hun weg gevonden tussen roestbruine bergpieken, aan één kant door de zon beschenen. Opwinding maakte zich van mij meester toen ik me besefte dat ik keek naar een stuk van de wereld dat ik alleen maar uit de atlas kende, dat zich aan de andere kant van het continent bevond waar ik gewend was te wonen. Ondanks dat ik op weg was naar het andere uiteinde van China had ik het idee: "Daar zal ik drie weken lang rondwandelen." De pret werd echter spoedig bedorven door het dikke wolkendek, dat zich onverbiddelijk tussen Moeder Aarde en mijn stoel schoof. Ten oosten van Kunming was heel het land bewolkt.
Het eerste wat ik van Hong Kong zag was de haven, maar dat is niet zo vreemd, want zo te zien heeft de stad drie ingrediënten: ghetto, wolkenkrabbers en haven wisselen elkaar bont af. Tijdens de landing zijn we voor mijn gevoel rakelings over flats heengegaan. Uiteraard staan naast het vliegveld sloppenwijken. Heel goed zichtbaar was dat Hong Kong bestaat uit bebergde eilanden. Ondanks de naar verwachting exorbitant hoge prijs van de grond zag ik toch eilandjes zonder enige of met slechts zeer weinig bebouwing. Ik ben best nieuwsgierig naar wie daar woont.

Misschien wordt het nog spannend met mijn bagage. Bij de balie in Amsterdam is mijn koffer gelabeled tot Hong Kong. In Londen heeft de Cathaydame twee instapkaarten geregeld zodat ik niet hoef in te checken in Hong Kong. Ze heeft ook een relabelrequest voor mijn koffer verzocht voor vlucht KA045. Kan ik daarop vertrouwen? Double check in Hong Kong: andere Cathaydame zegt dat ik kan kiezen tussen twee kwaden: zelf mijn koffer halen en opnieuw inklaren bij de douane, kosten: 100 HK$ (ca ƒ 20) óf er in Nanjing voor zorgen dat mijn bagage wordt nagezonden. Ik denk dat de dame een en ander niet heeft gesnapt, want eerst begreep ze dat mijn bagage in Londen was achtergebleven. Als rechtgeaarde Hollander weiger ik kosten te voldoen met de kans voor een lege conveyor te blijven staan dus ik vertrouw op de kundigheid van de London-Gatwick-Cathay-Pacificdame en de betrouwbaarheid van het Hongkongse grondpersoneel.
De titel "Hong Kong International Airport" doen mij twee dingen vermoeden. Ten eerste dat er minstens één andere luchthaven is. Ten tweede, en dat verbaast me in het geheel niet, dat het een knooppunt is van verbindingen tussen diverse werelddelen. Ik zie dan ook mensen van de meest uiteenlopende nationaliteiten lopen. Eén ding valt op: alle kinderen gedragen zich hetzelfde, ongeacht hun kleur of de stand van hun ogen. Het gehuil en het gebrabbel van de kleinsten die nog niet zijn besmet met de taal van hun ouders klinkt precies eender.
Ik had me laten vertellen dat Chinezen een proper volk vormen. De straten zouden onophoudelijk worden geveegd, de schoenen zouden met regelmaat worden gepoetst; de Chinese wasserijen zijn niet voor niets beroemd. Vegen doen ze hier inderdaad. Ik ben nu 15 minuten op Aziatisch grondgebied en de vlokken opgewaaid stof dwarrelen vrolijk om me heen, veroorzaakt door een bemondkapte oosterse dame, gewapend met bezem en blik.

Vijf over half vijf 's middags, plaatselijke tijd, wandelde ik met de stroom passagiers mee over de betonnen platen van het vliegveld in Nanjing, richting aankomsthal. De kou knaagde aan mijn benen toen ik in de rij stond die langs een aantal Petten voerde en zo maakte ik kennis met het eerste onverwarmde vertrek. Er zouden er nog vele volgen. Terwijl de douaneformaliteiten werden uitgevoerd, ontwaardde ik in de wachtende menigte een klein, dik, guitig kereltje in een enorme jas, de rij nieuwkomers afturend naar een blijk van herkenning. Hij hield een stuk papier vast met mijn naam erop. "Dat is dus de goedlachse Tang Xu," dacht ik, terwijl ik naar hem zwaaide zodat hij wist op wie hij wachtte. Toen de Groene Jassen het niet meer de moeite vonden mij om meer papieren te vragen liep ik op hem af en schudde hem de hand. Voordat ik mijn ingestudeerde zinnetjes op hem af kon vuren, hoorde ik hem zeggen: "Ik ben Tang Xu. Welkom in China. Ik ben blij jou te leren kennen." Om de hoek stonden twee Chinese kameraden van hem, in gezelschap van Adam, wiens blonde hoofd boven iedereen uitstak. Een anderhalf jaar oude afspraak was nagekomen.
Vijf man sterk reden we in een taxi naar het Jin Ling hotel. Het Chinese verkeer is een prettige chaos. Fietsen, bussen, vrachtwagens en een enkele auto (onder andere Peugeot en Volkswagen) rijden elk hun weg, overstekende voetgangers worden keurig ontweken of ontwijken zelf. Dat is meestal een kwestie van centimeters. Niemand schrikt, scheldt of schreeuwt. Iedereen belt of claxonneert. Niet om te zeggen: "Rot op, ik moet erdoor", nee, het betekent: "Hou er rekening mee dat ik hier rij". Vandaar dat een Chinese verkeersstroom altijd gepaard gaat met een kakofonie van geluiden. Uit het verkeersgedrag heb ik het volgende kunnen afleiden. Regel één van de Chinese Verkeerswet: voorkom een botsing. Een rood stoplicht betekent: het is beter om te stoppen. Groen stoplicht: probeer te gaan rijden als het kan, maar neem regel één in acht.
Het Jin Ling hotel is het hoogste gebouw in Nanjing. Mijn metgezellen zaten nauwelijks in hun stoel of ze begonnen truien uit te trekken: het hotel is verwarmd. Ik ontving mijn eerste instructie van Adam. "We slapen met zijn tweeën in een Chinees huis. Ik heb daar speciaal toestemming voor, maar jij mag dat niet. Ik denk niet dat het problemen zal opleveren, maar als we op straat worden aangehouden en we moeten ons legitimeren, dan doe ik het woord." Dat was een eenvoudige opgave, want veel Chinees kon ik niet uitbrengen. "We zijn dan gewoon twee buitenlandse studenten." Klonk aannemelijk. Adam zou niet eens jokken en ik zag er niet uit als een rijke toerist, in mijn te kleine gewatteerde crisisjas en mijn baard van een week.
We dronken wat en toen bleek dat je, als je er met renminbi (volksgeld) wilt betalen, je bijna twee keer zoveel moet betalen. Het hotel is dus buitenland, geen China. Buitenlanders komen hun geld uitgeven en worden daarom gescheiden van de Chinezen, checken in aan de balie en zijn dan controleerbaar, worden in de watten gelegd met veel voor de Chinees onbekende luxe zodat zij thuis zullen vertellen dat ze goed zijn verzorgd, en betalen met Foreign Exchange Certificates. Betalen met FEC voel ik als een belediging voor mijn Chinese metgezellen, maar om met Chinezen te leven moet je je zo snel mogelijk één principe aankweken: betaal nooit teveel. Het gebeurt dat er werkelijk een half uur wordt gebakkeleid om één mao. Dat is een tiende yuan en heeft een waarde van zo'n drie cent. Het is ook heel gewoon om een artikel dat je gaat kopen, bijvoorbeeld een handdoekje (maojin), te bekijken, te betasten en terug te geven omdat het te duur is. Mijn handdoekje was duur, 1 kuai en 8 mao (1 yuan 80, waarde 60 cent) maar ik mocht het van Tang Xu toch kopen omdat het van zeer goede kwaliteit was. Met zo'n maojin, ongeveer 30 bij 70 centimeter, was je je. Afwasteiltje met kokend water uit de thermoskan aanlengen met koud kraanwater (niet drinken), maojin onderdompelen en als washand gebruiken. Maojin uitwringen, je ermee afdrogen en het te drogen hangen. Douche is er niet. Als je je goed wilt wassen zonder kou te lijden, ga je naar het badhuis.
"Als je naar de wc moet, kun je beter nu gaan, want hier zijn ze schoon." Kennelijk had ik Adam eens verteld van mijn afkeer van een smerige plee. Er stond me dus nog wat te wachten de komende dagen. Ik besloot, ondanks dat ik geen druk op de ketel had, poolshoogte te gaan nemen. Op het blinkende toilet was het gelukkig prima poepen. Ik wil veel meemaken, ik ben bereid de kou te trotseren en in een huis te slapen dat niet wordt verwarmd, op straat te zitten eten en me in een koude keuken bij een temperatuur van 5 C te wassen maar ik kak op een goede plee.
Toen we onze verfrissing ophadden verlieten we het Jin Ling hotel om ons per bus te verplaatsen, als haringen in een ton, als algenvreters tegen het raam geplakt. Bussen zijn van 's morgens zes tot 's avonds zeven vol. Na tien uur rijden er geen bussen meer. Ik zou veel per bus door steden rijden, maar er nooit een andere buitenlander zien. Ik werd dan ook met veel belangstelling bekeken, dat wil zeggen: openlijk aangestaard. De kreet "lao wai" was niet van de lucht. Velen kunnen bij het zien van een buitenlander niet de zelf beheersing opbrengen hun mond te houden. Het enige Engelse woord dat ze kennen, van jong tot oud, is hetzelfde, maar varieert in uitspraak van "Helleuw?" tot "Glo?" Niet reageren, ik ben geen toerist, ik ben een buitenlandse student aan de universiteit. Die zijn lang niet zo interessant en bovendien hebben die ook geen geld. Men dringt en duwt veel in de bus maar niemand maakt zich daar druk over. Wie met zijn ellebogen een zitplaats kan bemachtigen heeft gewoon geluk gehad of is wat handiger of sneller geweest. Geen probleem.
Ik had geen flauw idee waarheen we gingen, dus ik hobbelde achter de kofferdragende Chinezen de bus uit. Drie straten verder had ik mijn eerste "O mijn God"-beleving: een straat, op het breedste punt vier meter breed, aan weerskanten bouwvallige éénkamerhutjes van steen, waarin mensen wonen, hun nering uitstallen, slapen, eten, feest vieren, liefhebben, leven. De stenen bouwvalletjes zijn het woord woning niet waard maar Chinezen wonen er en zijn tevreden. Liever gezegd: schikken zich in hun lot. De staat wijst je namelijk een woning toe. Daar ga je wonen en als je je woonruimte kunt uitbreiden omdat je per ongeluk veel geld verdient, wordt je dat afgenomen. Met veel geld is hier niets te koop. Als je werkelijk meer wilt zijn dan je lotgenoten, dan moet je je heil zoeken bij de partijtop en daaronder ressorterende ambtenaren. Macht kan je luxe brengen, geld niet. Fooien worden niet geaccepteerd, dat heb ik meerdere malen geprobeerd.
Aangekomen op de plaats van bestemming plofte ik neer. De enige flat in die stoffige straat telde zes verdiepingen en op de bovenste was mijn verblijf. Het werd tijd om wat te gaan eten en Adam, die al vier maanden woont in de achteraf gezien prachtige kamer met uitstekend meubilair, één van de twee kamers van het huis van Wang Yan en Tang Wei, stelde voor om de drie Chinese makkers, waaronder Tang Xu, uit te nodigen voor het diner. Zij weigerden, maar omdat wij aanhielden stemden ze uiteindelijk in. Als we ze niet hadden uitgenodigd, was ik wel heel onbeschoft geweest omdat zij mijn koffers getorst en twaalf halve trappen hadden opgezeuld. Toch weigerden ze, omdat wij de uitnodiging misschien uit beleefdheid hadden gedaan en dus ongemeend kon zijn.
De eerste Chinese maaltijd smaakte mij uitstekend op de eerste etage van een uiteraard onverwarmd en ook onverlicht restaurant. Waarom zou je het licht aandoen als je toch twee kaarsen op tafel hebt staan? En waarom zou je stoken als je drie truien tegelijk aan kunt trekken? Tijdens de maaltijd werd mij een uiterste beleefdheid bijgebracht. Ik wist dat "xie xie" "bedankt" betekent en dat had ik al vaker gezegd. (Chinese woorden schrijf ik in de pinyin-transcriptie. "Xie" wordt ongeveer uitgesproken als "Sjè".) Nee, zei men, als je nu heel beleefd bent, zeg je "xie xie sa bi". Ik zei het na en tot mijn groot plezier was mijn uitspraak de eerste keer goed. Dat vonden mijn nieuwe vrienden hoogst vermakelijk.
Vanuit het restaurant met de bus naar het plaatselijke snookercentrum. Ik ben een verwoed snookerbeoefenaar en heb zodoende veel gezien op dit gebied, echter nog nooit een Chinees snookerpaleis. In een schuur van zo'n vijftien bij tien meter staan vier haveloze snookertafels met een aardig laken. Aan het tien meter hoge plafond hangen lampbakken tot vlak boven de tafel. Alle tafels zijn bezet en tegen alle tafels leunen belangstellenden. Als de speler rond de tafel loopt voor een volgende stoot, doet iedereen die in de weg staat even een stapje opzij. In de ballen zitten putjes en deukjes en de keus zijn vet en koud. De pomerans wordt nauwelijks gekrijt en is bijna tot op de huls versleten.
Het was zo koud dat de ballen nauwelijks rolden, wat een snelle aanpassing van mijn technieken forceerde. De Chinezen speelden kennelijk altijd op een koude tafel en stootten altijd keihard. Maar daar stond ik, na een reis van een kleine 14.000 kilometer, na zo'n 30 uur zonder slaap, aan een snookertafel in Nanjing.

10 januari

De indrukken die ik opdoe slingeren mij overwegend heen en weer tussen "O mijn God" en "Wat geweldig". De armoede is hier groot maar dat is slechts een materiële kwestie. Dit land is rijk. Rijk aan mensen die het goed met hun naaste voor hebben. Vrienden maak je snel. In Nederland had ik al gemerkt dat de Chinezen die ik daar ontmoette, mij al spoedig hun vriend noemden. De beleefdheidsrituelen zijn talrijk maar oprecht. Geen lege etiquette, maar zorg voor het welzijn van de ander. Daarentegen hebben vreemden geen gevoel van verantwoordelijkheid voor elkaar. Volgens mij kun je op straat rochelend sterven terwijl een zwijgende menigte zich om je heen verzamelt.
Tang Xu, Adam en ik brachten een bezoek aan het Zhong Shan Ling park, een bos met een aantal gebouwen wat een kruising is tussen een toeristische attractie en een herdenkingsplaats voor Sun Yat Sen. Dat is de Japanse vertaling, de man zijn echte naam was Sen Zhong Shan. Vanaf de hoogste, zevende verdieping van Nanjings pagode hebben we papiertjes naar beneden gegooid. Chinezen zijn zeer bedreven met papier: ze hebben het dan ook uitgevonden en zijn de eersten geweest die het hebben bedrukt. De inpakmethodes waarover wij ons bij de Chinese restaurants in Nederland verbazen zijn vergeleken met wat ik hier dagelijks zie infantiel. Alles, bijna alles wordt hier in papier ingepakt in plaats van in het niet wegwerpbare en daarom verwerpelijke plastic. Tang Xu hield de eer van zijn volk hoog en liet een door hem gevouwen piepklein propellortje gedurende twee volle minuten de afdaling maken. Het bos, met daarin deze pagode, het voor China unieke gebouw met de stenen gemetseld in een boogvorm, het Zhong Shan Ling mausoleum, een Boeddhistische tempel met klooster en uiteraard een heuse kameel om je op te laten fotograferen, is één van de weinige plaatsen waar je een minuut of vijf kunt lopen zonder iemand tegen te komen. Waarschijnlijk lukt dat slechts in de winter.
De tempel hebben we natuurlijk bezocht, Boeddha gegroet met drie geknielde buigingen, gebeden voor een drie meter hoog beeld. De drie buigingen die je daar maakt worden door een monnik begeleid met gongslagen. Datgene waar je aan denkt of wat je wenst tijdens die gongslagen, zal beslist bewaarheid worden. Ik wist alleen maar stompzinnigheden te bedenken.
Adam bezoekt het klooster regelmatig om te kalligraferen, er zijn teksten van zijn hand daar geëxposeerd. Daar heb ik kennis gemaakt met Hao Ru, een oude monnik, grote vriend van Adam. Een prachtige oude baas met drie tanden in zijn bovenkaak. Nooit eerder heb ik iemand gezien die zoveel rust en liefde uitstraalt als die man. Hij heeft, door zijn aanwezigheid alleen al, een diepe indruk op mij gemaakt. Hij vroeg mij waarin ik geloofde. Opnieuw wist ik alleen maar een onbeduidend antwoord te stamelen. Omdat Adam mij vrij goed kent, wist hij er een redelijke vertaling van te brouwen. Hao Ru zei: "Kijk naar de kinderen, tussen de mensen die naar ons staan te kijken. Als de mensen bereid zijn van hun kinderen te leren, kunnen we allemaal één groot gezin worden." In deze simpele woorden, uit de losse pols tussen twee andere zinnen gevoegd, vatte hij een grote leer van Lao Zi samen: leren leven door het afleggen van kennis.
We namen afscheid om naar de kalligrafieruimte te gaan. Adam bood me de gelegenheid om, wat hij noemde, de reis naar de andere wereld te maken. Hij en Tang Xu bleven wachten toen ik door een ronde poort stapte. Ik stond in een smalle, hoge gang met okergele wanden. Uitzicht recht vooruit op een plein met groene bomen met daarachter een rood, oerchinees gebouw. Toen ik langzaam richting plein liep, voelde ik wat hij bedoelde. Deze gang is de doorgang naar een andere tijd, een andere dimensie, een andere wereld met andere begrippen, waarden, normen en prioriteiten. Mijn gemoed schoot vol toen ik het plein opstapte en met die stap minstens twee eeuwen ontkend zag. In het rode gebouw, een soort meditatieruimte, nam ik plaats op een stoel terwijl Adam en Tang Xu op het plein bleven. In die stoel gleed langzaam een enorme spanning van me af en werd ik overspoeld door een gevoel dat ik alleen maar kan omschrijven als rust. Maar dan een nieuw soort rust. Een emotionele, stabiele kalmte die met niets te vergelijken is. Een monnik bood me thee aan. Even overwoog ik om mijn weigering zeer beleefd aan te kleden met "xie xie sa bi". Omdat ik niet wist wat het precies betekende en hoe je een boeddhistische monnik behoort te benaderen, hield ik het bij "bu yao, xie xie", nee bedankt. Toen ik daar zat, kalm, om me heen kijkend hoe een vrouw met haar ogen dicht het gesprek volgde tussen een man en een strompelend, vies oud gammel mannetje die eruit zag als een pelgrim, onmiddellijk na voltooiing van zijn bedevaart, bedacht ik wat ik had kunnen wensen voor dat gigantische beeld, wat ik had moeten antwoorden op de vraag van Hao Ru. Ik geloof in de weg die leidt naar éénwording. De wens is mijn geheim.

11 januari

Nanjings beste kleermaker beoefent zijn stiel in een negorij. In een haveloos rijtjeshuis woont en werkt de benige kleermaker. Zijn bed staat in het atelier. Daarboven, aan een lange bamboestok, hangen kleren te wachten op hun nieuwe eigenaars. Hij meet schouders, middel, heupen, lengte, beenomvang, beenlengte, armlengte en maakt dan een maatpak.
Ik bracht hem stof en de oude, stille man nam mijn maten terwijl zijn kleinzoon, druk aan de naaimachine, steels onderzoekende blikken over zijn schouder wierp. Hij had het gigantisch druk omdat alle Chinezen het nieuwe jaar, dit jaar 15 februari, met nieuwe kleren ingaan. Er was een wachtlijst van twee maanden. Omdat ik mijn nieuwe kleren graag wilde meenemen bij vertrek vroegen we hem in een lang gesprek om voorrang en boden hem uiteindelijk zelfs 400 yuan extra: waarschijnlijk tweemaal 's mans maandinkomen. Hij weigerde: "Stel dat er morgen een andere buitenlander komt die 800 yuan biedt, dan moet ik hem ook weigeren omdat ik gewoon geen tijd heb. Als ik sneller zou moeten werken zou ik het moeten afraffelen en ik lever vakwerk, punt uit."

Wij brachten een bezoek aan de onbetwist beste gitarist van China. Het Chinese klassiek gitaarniveau is niet bijzonder hoog, maar Zhao Chang Gui heeft het geluk te beschikken over zijn eigen gitaarschool, waar hij zijn ruime verdiensten uit betrekt, getuige de hoeveelheid aan elektrische apparaten in zijn twee-bij-drie-kamerwoning in een achterafsteegje. Hij is vrijwel volledig autodidact en speelt op een Yamaha met onwaarschijnlijk oude snaren. Hij ontspant de snaren als hij niet speelt. Dat is voor violisten gebruikelijk, maar niet voor gitaristen. In China is praktisch geen bladmuziek te krijgen voor klassiek gitaar, dus had ik op Adams verzoek wat meegenomen. Zhao sprong een gat in de lucht toen hij het zag en werd gewoon stil toen bleek dat ik ook een videocassette met een programma over Andres Segovia had meegebracht. Dergelijke dingen vormen zijn studiemateriaal maar wat ik meebracht was voor hem van ongekende kwaliteit. Hij heeft een videorecorder en, tevens de enige die ik heb gezien, een privételefoon. (Telefooncellen heb ik nog niet gezien. Er zijn wel publieke telefoons in sommige winkels, aangegeven met een uithangbordje.) Na het bekijken van de video heeft hij een paar stukken voor ons gespeeld. Het was heerlijk toeven in zijn, omwille van de studie en het instrument, door een gietijzeren potkacheltje verwarmde huis. Door gebrek aan studie in de afgelopen dagen (zijn school vergt veel te veel tijd van hem. Milos Forman liet Mozart in zijn film zeggen: "Ik heb geen leerlingen. Dat kost teveel tijd.") kon hij niet foutloos spelen. Zijn niveau ligt echter beslist op het niveau van de gemiddelde eindexamenkandidaat Nederlands conservatorium. Adam en ik kunnen daarover oordelen omdat hij zijn conservatoriumdiploma in zijn zak heeft en ik door mijn eigen muzikale aktiviteiten regelmatig met hem en andere gitaristen heb samengespeeld. Zhao speelde in Shanghai voor een zaal met 1400 mensen. Het programma - waaruit ook zijn kunnen blijkt - duurde pakweg twee uur, meestentijds solo. Hij speelde ons een passage voor die naar mijn mening verbetering behoefde. Adam vertaalde mijn aanwijzingen en Chang Gui speelde. Wat ik had opgevat als gebrek aan techniek bleek pure interpretatie te zijn, want hij had aan een half woord genoeg en speelde de passage zoals ik het bedoelde. Ik ben besmet met de vooroordelen van volwassenen en westerlingen die menen dat professionaliteit zichtbaar moet zijn. Kleren maken de man. Gelul. China's beste gitarist speelt op een barrel en woont in een krot.

Tang Xu vroeg mij wat ik dacht, zou "sa bi" van "xie xie sa bi" iets goeds of iets slechts betekenen? Het waren de woorden die hij mij had geleerd, dus waarom stelde hij nu zo'n vraag? Een klein alarmbelletje begon te rinkelen en ik dacht: "vuile rotzak." Ik zei: "slecht." Het bleek "stinkkut" te betekenen. Toen ik hem zei tegen wie ik allemaal van plan was geweest het te zeggen, verzekerde hij me dat hij me uit ongewenste situaties best had kunnen redden door uit te leggen dat ik verkeerde klanken had gebruikt, maar ik vond zijn gevoel voor humor op dit vlak niet gepast. Verder is hij een prima kerel met goeie kwaliteiten en als het nodig is een grote Nanjingsplatte bek. Hij wilde me kennis laten nemen van paozi, gestoomde bolletjes van dun deeg, gevuld met vleesvezels of groente. In het restaurantje dat hij daarvoor uitgekozen had, stond een rij van pakweg dertig mensen te wachten op hun avondmaaltijd. Ik voelde me wel wat opgelaten, toen ik door toedoen van Tang Xu drie minuten later een bak paozi voor mijn neus had staan.
Ook wisselde Tang Xu geld voor mij: US dollars in Yuan renminbi. Hij had kennelijk gekeken naar de Nederlandse koers, want hij had precies uitgerekend dat de wisselkoers US$-HFL 1-1,75 was. Dat was ook de prijs van mijn dollars in Nederland.
Tang Xu bestudeert het Nederlands, zoals ik bij zijn verwelkoming al gehoord had. Adam heeft zinnetjes vertaald en opgeschreven zoals "mag ik je wat vragen", "ik ben heel blij", "ik neem je in de maling" en "ik ben blij jou te leren kennen", waar hij dan in Chinees schrift de uitspraak bijzet, en die zinnetjes weet hij op de juiste manier te combineren. "Waar is de wc, een beetje goeie" vind ik daar een uitstekend voorbeeld van. Hij betreurt het dat hij niet goed Nederlands spreekt en ik niet goed Chinees. Weliswaar komen we er samen wel uit als we een broek gaan kopen voor de jarige Tang Dai, zijn neefje, maar hij wil zo graag met mij van gedachten wisselen over de gewoonten en gevoelens van het Chinese en Nederlandse volk. Vertalen via Adam is dan onbegonnen werk. En dat is hetzelfde kleine dikke mannetje dat voortdurend zegt: "ik ben heel dom."
Hij nam me mee voor een ritje op de motor. Op kruispunten stopte hij en reed hij verder alsof verkeerslichten hem dat oplegden, maar ik kon nergens iets van dien aard bespeuren. En de man met zijn rode armband en zijn rode vlaggetje, minstens vier op iedere kruising, had niet eens met zijn ogen geknipperd. Bij de zesde kruising, toen ik niet meer oplette waar Tang Xu zijn informatie vandaan haalde maar besloten had van de stad te genieten, zag ik opeens, aan de overkant, uiterst links van de weg, drie lampen naast elkaar hangen waarvan de linker rood brandde.
De route voerde door smalle steegjes, waar volop handel gedreven werd in de meest uiteenlopende etenswaren. En waar handel is, zijn mensen; in China betekent dat: veel mensen. Stel je voor: een twee meter brede steeg, aan weerskanten een klein kraampje, de kleine ruimte ertussen volledig gevuld met lichamen waar wij, getweeën op de motor een weg doorheen proberen te vinden. Het kon.

Het verjaardagsfeestje van Tang Dai heeft mij geleerd voorzichtig te zijn bij het interpreteren van nieuwe Chinese woorden. De kreet "ganbei" werd alom gebezigd en in mijn naïviteit nam ik aan dat het zoveel als "proost" betekende. Dus, ik, jolig, glas vol champagne: "Tang Dai, ganbei!" Bleek het meer iets te zijn als "bottom's up", letterlijk: "droog het glas." Na een paar aarzelingen was ik ervan overtuigd dat dit gebruik negeren gelijk staat aan belediging, dus ledigde ik met drie melkgrote slokken mijn glas en nam het applaus in ontvangst. Ik had nog geluk gehad. Op een bruiloft houdt ganbei in dat je drie volle glazen achterover slaat. En gegarandeerd dat je na een stief kwartiertje door je ouwe ganbeimakker wordt teruggevraagd. Zo heeft Adam eens drie keer moeten kotsen.


Terug

Deel 2

Deel 3